Derde plaats bij de kunstbendefinale.
Bij het ochtendgloren.
1000 dode kinderlichaampjes
29 oktober 2007
1000 dode kinderlichaampjes verspreid over de weg naar nergens. Gruwel en haat. Aangestaard door lege oogholten. Armpjes, beentjes en rondzwevende nachtmerries. Happen naar adem, happen, happen. Rennen, ver weg van al wat kwaad doet – en al doet kwaad -. Drinken en blijven drinken. Wijn wordt bloed, bier wordt pis. Kotsen om al te vergeten, om iedereen te vergeten. Uitlaten, of uitgelaten worden. Liever alles vergeten dan achtervolgd tot het eind door herinneringen. Kinderbeentjes breken onder voeten. Huilen om al het leed in de wereld – en dat is veel -. Want al het leed is te dragen, dient gedragen te worden. Huilen tot in het oneindige – en dat is ver -. Vlekken voor de ogen, een akelige lach in de oren. “Ge zijt ziek in uwe kop, neem nog wat thee om gelukkig te worden”. Ik blèr de kindjes tot leven. Ik wordt verzwolgen onder spijt en al wat slecht is – veel, ja, veel -. “Droomt ge nog wel eens over mij?”, “Nee, nooit meer, nee.”,”Nooit?”, “Nee, nooit.”